HOE JIJ IN DE BEWEGING EN JE PAARD OP DE LOODLIJN TERECHT KOMT

(Eén basiselement )

Er plakken herfstbladeren aan haar schoenen. Ze trapt ze uit, maar haar sokken zitten vol stro.


“Sorry, ik kom net van stal.”

Ik zie het niet eens. 

“Maakt niet uit joh, ik zat vooral te kijken naar je leuke jodphers.”

Lakgrijs. Als regenlaarsjes, maar dan fancy. Gedurfd. 

20201026_155204

Dan ploft ze neer in de blauwe stoel. Donkerblauw, zodat je geen stalvlekken ziet. Haar thee is nog te warm, dus ze snaait van de pure chocolade. Ze landt terwijl ze kauwt. Ik begin met haar zitles.

“Hoe gaat het nu, met je rijden?”

“Poe, ik weet het niet hoor.  Ergens denk ik dat ik het goed doe, maar ik raak ook nog vaak de weg kwijt.”

Dat is lekker duidelijk. Laat ik het maar aan de expert vragen. Die liegt nooit.

“Maar hoe loopt je paard dan?”

“Oh, die gaat super. Ze trekt ineens veel meer naar voren en legt haar hals ein-de-lijk uit naar de loodlijn.  En in de galop rolt ze nu mooi door. Geen idee hoe het komt, maar ze doet het.”

Ik leun tevreden achterover. Het effect van haar vorige les is binnen, zoveel is zeker. Paarden liegen niet. Zeker deze hypergevoelige merrie niet.

In haar eerste zitles zat ze achter haar zitbeenknobbels. Niet veel, een fractie. Maar voor haar paard téveel, dat dan weer wel.

20201026_155143

Het is niet moeilijk om achter je zitbeenbotjes terecht te komen. Als je te zeer probeert om diep te zitten. Of als je persé een hete merrie onder je wilt houden. Maar het werkt averechts. Mijn gouden richtlijn gaat daar over. 

Je zit net zo veel achter de beweging van je paard als dat je achter je zitbeenknobbels zit.

En als je continu een achter de beweging zit, ben je dus constant uit balans. Zo blijf je op zoek naar onafhankelijke hulpen. En je vindt ze nooit.

Nog erger, je paard gaat op zoek naar jou. Dus die kruipt óók naar achteren, waar je zitbeenknobbels zijn. Dan voelt hij dus altijd een beetje flegmatiek. Daar komt bij dat hij achter de loodlijn kruipt. 

Ze kijkt me aan en slikt haar chocolade door.

“Dan denk ik dat ik toch wel goed bezig ben.”

Ik zeg wat ik meteen al wist.

“Dat denk ik ook.”

ONLINE CURSUS

‘DOORZITTEN ALS

EEN PROF’